VAREN Collectie bij OpdeHaar tuinen 

Droge sloten in de zomer
Varens langs de sloot

Op deze pagina over de varen collectie bij OpdeHaar vindt u informatie over:

Varen collectie opgebouwd over 30 jaar

Tijdens de afgelopen 30 jaren hebben wij een uitgebreide sortiment varens opgebouwd. Het bos met zijn talrijke vochtige schaduwplekken biedt een goede huisvesting aan varen soorten die in een bodem met een pH van 7 of lager (zuur) thuis zijn. Dat gezegd, in ons ervaring in vele gevallen lijkt een humusrijke bodem meer belangrijk dan de pH mits deze niet te extreem is. Tot 2020 hebben wij varen soorten overal op het terrein geplant. Het hoofd criterium was dat de plant optimaal voor een plek was eerder dan een filosofie van een botanische tuin te volgen. Eind 2020 hebben wij een stobbentuin, exclusief voor varens, geconstrueerd om de verscheidenheid onder de soorten beter en makkelijker ten toon te stellen en de rariteiten wat beter te kunnen koesteren en in de gaten houden.

Alle foto’s waren in onze tuin genomen.  Klik op de foto’s voor een grotere beeld en een slideshow

Inheemse varen soorten in onze varen collectie

De Brede Stekelvaren (Dryopteris dilatata) heeft een bijna-onkruid status bij ons en komt overal omhoog. Het is de meest voorkomende soort in Nederland. De Koningsvaren (Osmunda regalis) was kennelijk hier al lang aanwezig en breid zich langs de slootkanten langzaam uit. Wij hebben een variant met paarsachtige jonge stengels (Osmunda regalis “Purpurescens”) ook geïntroduceerd. Dubbelloof varen (Blechnum spicant), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare) en Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) heb ik ook in gelokaliseerde plekken aangetroffen.

De Nederlandse Varen vereniging heeft een inventaris van inheemse varens gepubliceerd en dat spreekt voor zich: https://www.varenvereniging.nl/over-varens/varens-in-nederland-en-belgie/overzicht-varens-in-nederland-en-in-belgie.html .

Varens vormen sporen en kunnen zich daardoor ineens op onverwachte plekken verschijnen of vanuit een tuin ontsnappen. Mildere winters bij ons laten ook meer wat subtropische soorten buiten overleven. Tot nu toe heb ik niet gemerkt dat de door mij geïntroduceerde soorten komen spontaan in andere delen van het bos op dan rondom de plek waar ik heb ze oorspronkelijk geplant.

De meeste varen soorten in onze tuin zijn voorzien van etiketten, met uitzondering van de gewone mannetjesvarens (Dryopteris felix-mas), de brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en de wat fijnere Athyrium filix-femina (“Lady fern”). Deze laatste varen soort is aan het uitbreiden langs de sloot die ons gebied scheidt van het Geldersch Landschap aan onze westelijke kant. Athyrium filix-femina heeft een wat fijnere structuur en is iets lichter groen dan de mannetjesvaren.    

Klik op de onderliggende foto’s voor meer informatie.

     

In het kader van het voorkomen van inheemse varen soorten in de natuur is een net gepubliceerd rapport van de KNNV “Twintig Jaar Varenonderzoek in de Lickebaert ” heel interessant. Het rapport is geschreven door Loek Batenburg, ex voorzitter van de KNNV afdeling Waterweg Noord. Belangstellenden die het rapport willen ontvangen kunnen dit aanvragen via gewestzuidholland@knnv.nl

Stobbentuin (“Stumpery”)

Het begin van de Victoriaanse tijdperk in Engeland rondom 1830 was er toenemende welvaart onder fabrieksarbeiders en een snel uitbreidend treinnetwerk gaf de mogelijkheid voor uitstapjes op het platteland. Tijdens een wandeling was elk aparte plant en vogel gauw een onderwerp voor discussie. Varen soorten leenden zich heel goed hiervoor en je kon ze zelfs opgraven en meenemen om vrienden thuis e.e.a. te laten zien – ze waren ook in een pot best te bewaren!! Tegen 1850 ontstonden er een ware varen manie dat kreeg zelfs landgoed eigenaren in zijn greep. In 1856 op het landgoed Biddulph Grange, kwam het idee om een stuk ruige natuur te creëren om deze varens ten toon te stellen. Dit zgn. “Stumpery” was een soort rotstuin waar grote stukken bomen en zelfs bomenwortels gingen de indruk van een dal in een oerwoud nabootsen waarin de varens groeide.

Eind 2019 hebben wij helaas een groot maar stervend Abies grandis bij ons moeten laten kappen. Dennenhout is niets voor een openhaard en wij kwamen op het idee om een eigen versie van een stumpery ofwel een stobbentuin te maken om zo bergen dennenhout kwijt te raken en, eindelijk, allerlei varens bij elkaar te planten. De eerste beplanting was in September 2020 klaar en de onderliggende foto’s geven een indruk van hoe het momenteel eruit ziet.  In de loop van 2021 zal ik over de beplanting en varen soorten meer gaan schrijven.

U kunt meer lezen over hoe wij de stobbentuin heeft gemaakt hier.

Vele verschillende varen soorten in onze collectie

Men heeft eigenlijk geduld en een vergrootglas nodig om de nuances en variaties onder de varens goed te waarderen. Voor de constructie van de stobbentuin moest men op zoektocht over het landgoed gaan. Hopelijk zal het vergelijken en waarderen van variaties in een soort nu veel makkelijker zijn. Bijvoorbeeld, ik ben bezig met Polystichum setiferum soorten te verzamelen en die zijn naast elkaar geplant om makkelijker de verschillen te zien – of niet in sommige gevallen. Een van de kleurrijkste varen soorten is Athyrium nipponicum metallicum, afkomstig, zoals zijn naam aangeeft uit Japan. De bladvorm en kleur zijn heel mooi en nieuwe selecties duiken regelmatig op.

De Nederlandse varen vereniging schrijft naar hun bezoek in 2010: “De Ramsbothams hebben dit bos weer toegankelijk gemaakt en op de stroken mooie bomenlaantjes gecreëerd. Op deze stroken en in de taluds vinden we een prachtige verzameling varens. Die gedijen hier uitstekend in de schaduwrijke, vochtige omgeving. We zien hier ook de verscheidenheid aan kleuren van varens, zoals de tweekleurige Arachnoides simplicior variegata, de paarsige Athyrium nipponicum metallicum en verder varens in alle schakeringen groen. De Osmunda regalis is hier inheems, alle andere zijn aangeplant. De Drypoteris dilatata is de ‘huisvaren’, die komt overal op. Wandelend over de verschillende laantjes kom je ogen tekort. Op allerlei plekken staan varens. Het is een varenwalhalla. Het lijkt bovendien of je in de natuur bent en niet in een tuin.” Lees hier het verslag van de varen vereniging over hun bezoek bij OpdeHaar

Voor meer informatie over varens zie: Hardy Fern Library 

 Asplenium

Asplenium is een geslacht uit de streepvarenfamilie (Aspleniaceae). Het geslacht telt ongeveer zevenhonderd soorten varens. Het is het grootste (en volgens sommige auteurs enige) geslacht van de streepvarenfamilie.

Het zijn kleine tot zeer grote planten van uiteenlopende vorm met een beschubde wortelstok (rizoom) en ongelede bladsteel. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

De streepvarens vallen voor wat betreft hun vorm uiteen in middelgrote, tropische en dikwijls epifytische soorten enerzijds en kleine muur- of rotsvarens in gematigde en koude gebieden anderzijds.

Athyrium

Athyrium is een geslacht van varens uit de wijfjesvarenfamilie.  Athyrium filix-femina is in België en Nederland een van de meest voorkomende varens.

De meeste Athyriums overwinteren met korte, kruipende of opstijgende rizomen. Enkele tropische soorten, zoals Athyrium oosorum, komen voor als boomvarens van meerdere meters hoog.

Athyrium filix-femina Sori
Athyrium filix-femina Sori

De fertiele en steriele bladen zijn gelijkvormig, lancetvormig tot elliptisch van vorm, meestal lichtgroen en één- tot drievoudig gespleten of gedeeld, naar de top toe minder. De bladsteel omvat twee vaatbundels die naar de top tot samensmelten tot één U- of sikkelvormige bundel.

De sporenhoopjes liggen in enkelvoudige rijen tussen de nerven en de bladrand aan de onderzijde van het blad. Ze zijn meestal lang-ovaal of komma-, haak- of hoefijzervormig gebogen en worden in de regel afgesloten door een dekvliesje met dezelfde vorm, opgehangen aan een zijdelings bevestigd scharnier. Het dekvliesje blijft meestal aanwezig tot de sporen rijp zijn. De vorm van de sporenhoopjes en de aanwezigheid van een dekvliesje zijn kenmerken waardoor het geslacht kan onderscheiden worden van de streepvarens en de niervarens.

Blechnum

Blechnum is een geslacht met ongeveer 150 tot 220 soorten.  Het zijn voornamelijk varens van tropische gebieden uit het zuidelijk halfrond. Het dubbelloof (Blechnum spicant) is ook in België en Nederland te vinden. Blechnum-soorten zijn overwegend overblijvende kruiden met een korte, rechte wortelstok met schubben. Ook de bladsteel is beschubd. Enkele tropische soorten kunnen uitgroeien tot boomvarens.

De bladen of veren zijn meestal enkelvoudig geveerd, zelden meer. Er is dikwijls een duidelijk verschil tussen fertiele en steriele bladen. De sporenhoopjes liggen als lange streepjes naast de bladnerven op de onderzijde van de bladen en zijn afgedekt met een eveneens langwerpig dekvliesje dat naar de bladnerf opengaat.

Blechnum-soortens komen wereldwijd voor, maar zijn vooral te vinden in tropische streken uit het zuidelijk halfrond: Zuid-Amerika, Zuid-Azië, Afrika en Oceanië. In België en Nederland is er slechts één soort die in de natuur voorkomt: Blechnum spicant

Blechnum spicant komt vrij algemeen voor langs greppels en in vochtige bossen op arme grond. De naam slaat op de twee verschillende typen bladeren die aan dezelfde plant te vinden zijn: vruchtbare en onvruchtbare. De vruchtbare bladen staan rechtop, terwijl de onvruchtbare overhangen of op de grond liggen. De onvruchtbare bladen hebben langwerpige slippen en zijn maximaal 40 cm lang. Deze bladeren zijn groenblijvend. De vruchtbare bladeren hebben smalle slippen en zijn tot 70 cm lang en hebben aan de onderzijde de sporenkapsels die als lijnen parallel lopen aan de middennerf.. Ze sterven in de herfst alweer af. De twee sporenhoopjes zijn lijnvormig en zijn rijp in juli of augustus.

Dryopteris

Dryopteris sporen
Dryopteris filix-mas – spoorhoopjes

Dryopteris (niervaren) is een geslacht van ongeveer 225 -250 soorten. De genus Dryopteris is ook onderverdeeld in Polystichum, Cyrtomium en Arachnoides. Het genus heeft een kosmopolitische verspreiding met nadruk op de gematigde zones in Centraal en Oost-Azië. De meeste soorten worden gevonden in bos en open vegetaties, soms op stenigen plaatsen en dan vooral in montane gebieden. In België en Nederland worden 7-8 soorten gevonden, waarvan de brede stekelvaren het algemeenst is. De Nederlandse naam niervaren slaat op het niervormige dekvliesje dat de sporenhoopjes afdekt. Dryopteris soorten hebben meestal een dikke, korte, rechtopstaande, nogal eens vertakte wortelstok met schubben. Ook de bladsteel is beschubt (ten minste aan de basis) en bij een aantal soorten voorzien van klieren en/of haren. De bladen zijn lancetvormig, langwerpig, driehoekig, vijfhoekig of ovaalen zijn een- tot viermaal geveerd. Kenmerkend voor het genus zijn de sporenhoopjes die zijn afgedekt met een niervormig dekvliesje. Van deze familie komen negen soorten van nature in België en Nederland voor, waaronder de zeer algemene Dryopteris filix-mas (mannetjesvaren).

Arachniodes

Arachniodes is een geslacht met ongeveer 100 tot 140 soorten uit de Dryopteridaceae familie. Ze komen voor in bijna alle subtropische en tropische gebieden, voornamelijk in China en Oost-Azie. De bladen zijn allen gelijkvormig, small driehoekig tot vijfhoekig, twee- tot viermaal gedeeld, geleidelijk of abrupt in een punt uitlopend, papierachtig of lederachtig aanvoelend. De bladsteel is ongeveer even lang als de bladschijf en heeft meer dan drie in doorsnede ronde vaatbundels in een boog geplaatst. De onderste deelblaadjes zijn veel groter dan de overige, asymetrisch gevormd, met de basale bladslipjes groter dan de distale.

Cyrtomium

Cyrtomium is een geslacht met ongeveer 15 tot 55 soorten uit de Dryopteridaceae familie. Het zijn van oorsprong subtropische en tropische varens, maar in België en Nederland is plaatselijk de ijzervaren (Cyrtomium falcatum) in het wild opgedoken.

Cyrtomium-soorten hebben een opstijgende wortelstok. De bladsteel is lang, tot driekwart de lengte van de bladschijf en bevat meer dan drie vaatbundels die in een boog gerangschikt liggen. De bladen of  veren zijn lancetvormig of ovaal en slechts enkel geveerd.

De ronde sporenhoopjes zitten op de onderzijde van de bladen, in twee of meer rijen tussen de bladnerf en de bladrand, afgedekt met een dekvliesje.

Veel van deze kenmerken delen deelt Cyrtomium met de varens van het geslacht naaldvaren (Polystichum), zodat er stemmen opgaan om beide geslachten samen te voegen.

Enkele soorten van dit geslacht zijn sinds lang als tuinplant aangeplant in gematigde gebieden. De Cyrtonium falcatum en Crytomium fortunei heeft zich in Nederland plaatselijk in het wild genesteld.

Polystichum

Polystichum_munitum
Polystichum munitum – Blad van een lansvaren. Bemerk de sporenhoopjes in twee rijen, en de asymmetrische bladvoet

Polystichum (naaldvaren) is een wereldwijd voorkomend geslacht van ongeveer 180 tot 260 soorten uit de niervarenfamilie(Dryopteridaceae). De Nederlandse naam ‘naaldvaren’ slaat op het getande of genaalde zijranden en toppen van de blaadjes.

Naaldvarens hebben allen een korte, rechtstaande of kruipende wortelstok waaruit een platte bundel bladen of veren  groeit. De bladen zijn 0,3-2 m lang, lancetvormig of ovaal en enkel- tot drievoudig geveerd. In vergelijking met Dryopteris zijn de bladen steviger, dikwijls leerachtig en voelen ze ruwer aan. Ze blijven ook in de winter. Op één uitzondering na is er geen onderscheid tussen vruchtbare en onvruchtbare bladen. Een belangrijk kenmerk dat alle naaldvarens delen, is de asymmetrische bladvoet van de blaadjes ter hoogte van de bladspil: de kant die naar de top van het blad wijst is groter dan de andere kant. De ronde sporenhoopjes zitten in één of meer rijen op de onderzijde van de blaadjes en worden meestal afgedekt met een eveneens rond dekvliesje.

Naaldvarens zijn varens van voornamelijk subtropische en tropische streken in Azië, Oceanië en Zuid-Amerika. Vooral Japan, China (120 soorten) en de Himalayakennen een grote soortenrijkdom aan naaldvarens. Ze zijn vooral te vinden in de bergen, vooral rond de evenaar komen ze nooit onder de 1000 m voor.

Naaldvarens staan bekend om hun frequente hybridisatie. Er zijn meer dan tachtig hybriden bekend tussen naaldvarens. Hoewel de meeste onvruchtbaar zijn, komen hybriden zeer frequent voor op plaatsen waar de verspreidingsgebieden van twee soorten elkaar overlappen.

In Europa komen ongeveer acht soorten van nature voor, waarvan drie in België en Nederland:

Polystichum aculeatum( stijve naaldvaren), Polystichum lonchitis(lansvaren), Polystichum setiferum(zachte naaldvaren)

Matteuccia struthiopteris

Matteuccia struthiopteris (struisvaren) heeft de naam te danken aan de groeiwijze van de vruchtbare bladen. Het is een vaste plant die van nature voorkomt van Midden-Europa tot Oost-Azië. Deze varen is in Nederland ingeburgerd. De plant wordt 35-150 cm hoog, heeft een sterk ontwikkelde wortelstok (rizoom) en dimorfe bladen. De struisvaren plant zich via de wortelstokken ook vegetatiefvoort, waardoor er een dicht bestand van varenplanten kan ontstaan. De zeer kort gesteelde, dubbelveerdelige, onvruchtbare bladen vormen een trechter, waarbinnen later de vruchtbare bladen verschijnen. Deze bladen zijn langer gesteeld en staan stijf rechtop. De deelblaadjes van de eerste orde van de vruchtbare bladen zijn kokervormig door de ingerolde segmenten, die de sporenhoopjes (sori) bedekken. De sporangiën staan in twee rijen en hebben geen dekvliesje. De struisvaren komt voor op vochtige tot natte, beschaduwde plaatsen in bossen met kwel.

Osmunda 

 Osmunda is een geslacht met vijftien soorten varens uit de koningsvarenfamilie (Osmundaceae). Het geslacht kent een lange geschiedenis. Fossiel bladresten zijn bekend van 200 mijloen jaar geleden die bijna identiek zijn aan die van de recente soort Osmunda claytoniana.

Osmunda is een grote varen met een duidelijke bladdimorfie. De vruchtbare bladen of sporofyllen verschillen van de steriele bladen of trofofyllen door de aanwezigheid van niet-fotosynthetiserende, sporendragende deelblaadjes aan de top, die volledig bedekt zijn met sporendoosjes. De sporendoosjes zijn groot en naakt, niet gegroepeerd in sporenhoopjes of sori. De massa sporen wordt gelijktijdig rijp en geeft de top van de plant een gouden schijn.

Osmunda regalis (koningsvaren) komt zeer plaatselijk in grotere aantallen voor in vochtige loofhoutbossen, veenmoerassen en aan beschaduwde slootkanten. Elders is deze varen zeer zeldzaam. In Nederland is de plant vanaf 1 januari 2017 niet meer wettelijk beschermd. De plant heeft dubbelgeveerde bladeren, die licht- of geelgroen zijn. De hoogte varieert van 0,2-3 m (in schaduw en in een goede grond). In het centrum staan vruchtbare bladeren. De buitenste bladeren zijn onvruchtbaar. Deze varens kunnen tot honderd jaar oud worden. De sporenhoopjes (sora) zitten bovenaan de vruchtbare bladeren aan smalle deelblaadjes, die een soort pluim vormen. De sporenhoopjes bestaan uit sporangiën, waarin de sporen gevormd worden. Ze worden later bruin. De sporen zijn rijp in juli of augustus.

Niet-winterharde varens in onze varen collectie

Wanneer twee mensen alleen een grote tuin fatsoenlijk moeten onderhouden, dan betekent elke plant in een pot wat extra dagelijks werk en dat kunt U niet verwaarlozen. Dus U treft weinig eenjarige planten en geen hangmandjes bij ons aan. Toch zijn er potten met planten die niet buiten kunnen overwinteren en de kas in moeten. Aan de noordkant van het huis bij de voordeur vindt twee boomvarens (Dicksonia antarctica). Die kunnen wel wat lichte vorst verdragen, maar het gevaar van verrotting in de kroon en uitdrogende, ijzige winden eisen wel een winter-onderdak. Dit jaar heb ik wel de kleinere varens als proef tot de kerst op de patio aan de zuidkant van het huis laten staan – maar ik zal het niet aanbevelen). Aan de zuidkant van het huis, treft U Blechnum chilense – deze werd in vieren gesplitst in maart 2005. Dit exemplaar is zijn leven als een piepklein plantje midden op het pad van de beroemde Zuid-Ierse bostuin “Dereen” begonnen. Dit vertrapte kleintje van toen 2cm zag er ineens uit als interessant, maar ten dode opgeschreven, dus ik heb het gered. Ook ziet U Woodwardia unigemmata uit de Himalaya – dit heb ik in Spinner’s Garden in Bournemouth (Engeland) gekocht. Beide varensoorten zijn kandidaten voor een plek buiten (met winter afdekking) maar ik ga dit niet wagen tot dat ik meerdere exemplaren heb.

Terug naar boven

Scroll naar top